oktober 2012

Duivels dilemma

Er zijn de laatste tijd heel wat boeken verschenen die mij doen watertanden. Ik heb op twitter al veelvuldig auteur Ken Follett een pluim toegestoken voor zijn pas uitgekomen Nacht van het kwaad, het tweede deel van een trilogie over de 20ste eeuw. Die pluim is een beetje voorbarig ─ ik heb het boek nog niet gelezen ─ maar deel 1 (Val der titanen) vind ik meesterlijk, dus de lof is vast terecht.

Follett schrijft geen dunne boeken. Ook zijn nieuwste telt weer meer dan 900 bladzijdes. Aan de ene kant: heerlijk! Aan de andere kant: aaargh! Want wanneer je het ene leest, kun je niet een ander boek tot je nemen. En er staan er nogal wat in de wachtrij. Zo is daar de nieuwe Charles Lewinksy (Terugkeer ongewenst, al aangeschaft) en de nieuwe Geert Mak (Reizen zonder John, nog aan te schaffen). Dan staat er in mijn boekenkast nog het ruim 600 pagina’s tellende Wolf Hall van Hilary Mantel. Dit boek is al een paar jaar oud ─ en eerlijk, hoe het bestaan ervan me is ontgaan, is me wazig. Het verhaal over Henry VIII en Thomas Cromwell is echt een spekkie voor mijn bekkie. Ik heb het gekregen van boekhandel Kramer&van Doorn in Zeist, ter herinnering aan mijn signeerbezoek, en ik verheug me echt op het lezen ervan. De leesdruk wordt nog opgevoerd nu ik in TcTubantia en de Volkskrant interviews met schrijfster Mantel las; het vervolg op Wolf Hall staat al klaar in de coulissen. 

 

Het leeszweet breekt me uit. Welk boek eerst? En welk daarna? Voer ik het leestempo op, of houd ik mij aan mijn gewone, trage ritme van de zinnen opslorpen zoals een oenoloog zijn wijn proeft. Genietend van elk woord, terugbladerend om stukjes te herlezen en het boek tussentijds dichtslaand om voor me uitstarend na te genieten van een mooie scène. Sneller lezen is meer lezen, maar ook minder genieten van wát ik lees.

Het is een duivels dilemma. Zoveel prachtigs voor het grijpen en zo weinig tijd. Elke extra leesminuut is pure winst. Je zou er als schrijver bijna toe komen om je eigen manuscript opzij te leggen. Bijna.