april 2013

Leesclub

Laatst was ik te gast bij een leesclub in Hengelo. Ik heb de afgelopen maanden van verschillende leesgroepen gehoord dat zij Véronique zouden bespreken, maar ik was daarbij nog niet eerder zelf aanwezig. Ik vond het ontzettend leuk om gevraagd te worden maar ik was ook wel een beetje zenuwachtig, vooral nadat een aantal keren gemeld was dat ‘de dames heel kritisch zijn’.

 

Het werd uiteindelijk een gezellige en boeiende avond, het begon bij binnenkomst meteen al goed met zelfgebakken appeltaart. Voor de leesclub was het ook voor het eerst dat zij een schrijver op bezoek hadden, dus het was in het begin voor iedereen even aftasten. Uiteindelijk was ik vooral aan het vertellen over de achtergrond van Véronique: wat was de aanleiding voor dit boek, hoe ben ik bij het schrijven te werk gegaan en hoe verloopt de samenwerking met een uitgeverij.

 

Zulke gesprekken heb ik het afgelopen jaar vaker gevoerd met lezers. Het blijkt dat mensen toch vaak dezelfde gedachten en vragen hebben. Maar toch was het gesprek met de leesclub anders want ik kon goed merken dat deze dames hun boeken met een andere blik lezen dan de gemiddelde lezer. Of ze iets ‘mooi’ of ‘minder geslaagd’ vonden, is dan niet specifiek genoeg. Het gaat om de reden achter die waardering of waarom de aandacht op een gegeven moment verslapt.

 

Ik kreeg de nodige complimenten te horen, en dat was leuk. Ook waren er natuurlijk kritiekpuntjes. Daarbij merk ik dat iedereen het verhaal op zijn eigen manier beleeft. Zo noemde één van de leesclubleden de beschrijvingen van de kleding die Véronique en de andere personages dragen. Zij vond het op een bepaald punt echt teveel, haar aandacht verslapte. Eén van haar leesvriendinnen reageerde daarop met een tegengestelde mening. Haar sprak het juist wel aan en zei ze, dat was immers ook het enige waar onderdrukte vrouwen als Véronique in die tijd hun aandacht aan konden besteden.

Mijn standpunt is: de lezer maakt het boek en elke mening is (dus) goed. 

 

Het fijnste compliment kreeg ik overigens van de echtgenoot van één van de dames. Hij leefde als jongen in de jaren 1950 in Indonesië en vond dat ik sfeer en leefklimaat van het land uitstekend had weergegeven. Lof waar ik blij mee ben omdat ik zelf nog nooit in de tropen was en mij als schrijver kennelijk goed heb ingeleefd.