28 juli 2016

Steeds wat wijzer

"Ik heb moeten leren dat wat briljant lijkt, misschien toch niet zo briljant is."

Sinds 2005 staat mijn leven in het teken van romans schrijven, en in die tijd is er veel gebeurd, en veel veranderd. De eerste jaren waren een leerschool; hoewel ik als tekstschrijver dagelijks bezig was met korte en langere teksten te schrijven, bleek een lijvig manuscript echt andere koek te zijn.

Het was ploeteren en zwoegen en soms vroeg ik mijzelf vertwijfeld af waarom ik toch al mijn vrije tijd aan dat onding van een half mislukt manuscript, dat toch vast nooit in de winkels zou liggen, spendeerde. Er waren zoveel andere leuke dingen die ik kon doen… Dat waren de moeilijke dagen, waarop het niet ging en ik toch van niemand anders dan mijzelf de motivatie om verder te gaan kon krijgen.

 

Gelukkig zette ik telkens door en in 2009 verklaarde ik Cornelis Drebbel en andere gelukzoekers ‘af’ en ging op zoek naar een uitgever voor het boek. Die ik niet vond.

Ik schreef verder aan een ander historisch verhaal en in 2010 werd ik benaderd door uitgeverij Boekerij. Uit die contacten kwam mijn debuutroman Véronique voort, die 2012 in de winkels lag. Eindelijk! Mijn droom was werkelijkheid geworden.

 

Waar de ene droom gerealiseerd was, lagen er natuurlijk alweer nieuwe plannen klaar om aan te werken. Eén eigen titel op de boekenplank staat immers ook maar kaal, en bovendien had en heb ik altijd ideeën voor nieuwe boeken.

Nu, in 2016, zijn er drie romans van mijn hand gepubliceerd, ligt het manuscript van Vriendschap in Pommiers bij mijn redacteur en zal naar verwachting komend voorjaar als boek in de winkels liggen, en ben ik zoetjesaan begonnen met research voor mijn volgende historische roman.

 

Terwijl ik het werk in gang zet, zie ik zelf hoezeer mijn werkwijze in de loop der jaren is veranderd; door ervaring ben ik wijzer geworden. Vroeger schreef ik al voor ik nadacht; het bedenken van het verhaal: het wie, wat, waar, waarom, en wanneer kwam tijdens het schrijven naar boven. Dat kan heel prettig werken omdat je elke ingeving meteen kunt verwerken, maar het nadeel is dat je heel veel tekst kunt weggooien, omdat later blijkt dat de verhaallijnen toch niet bij elkaar komen, of kloppen.

Ook heb ik moeten leren dat een idee nog zo geweldig kan lijken, maar dat het soms toch niet passend voor het boek is. Omdat het idee bij nader inzien niet zo briljant is als ik dacht, of omdat het wel een leuke verhaallijn is, maar niet goed past in het grote geheel. Deleten dus. Of zoals dat heet in de schrijfwereld: kill your darlings.

 

Aan de start van mijn volgende historische roman heb ik besloten om het daadwerkelijke schrijven zolang mogelijk uit te stellen (en dat is moeilijk! Op mijn handen zitten…) Eerst wil ik het plot van begin tot eind hebben uitgedacht. Pas daarna mag ik het magische ‘Hoofdstuk 1’ typen.

De manier van plotten heb ik afgekeken van Thomas Rosenboom die tijdens een lezing eens vertelde over de rollen behangpapier waarop hij het plot helemaal uitplande, en het daarna “alleen nog maar hoefde op te schrijven”. Zo simpel als het klinkt zal het niet zijn, maar die behangrol werkt inderdaad uitstekend.

 

Hier zie je een foto van mijn plotlijn. Bovenaan is een tijdlijn uitgezet, mijn uitgangspunt voor deze roman is namelijk een bepaalde periode en bepaalde historische gebeurtenissen. Welke, dat verklap ik nog even niet (sorry). Daaronder volgt een ruimte waarin ik de algemene hoogte- en dieptepunten uit die periode neerpen, voor zover ze van belang zijn voor mijn verhaal. Daaronder is ruimte voor het leven van mijn hoofdpersonage, daaronder schrijf ik de bezigheden en persoonsontwikkelingen van de belangrijkste bijpersonages, en daaronder is ruimte voor de andere lokale gebeurtenissen in het verhaal.

 

Terwijl ik mij verdiep in researchboeken en denk en droom over mijn personages krijgt het verhaal op de behangrol steeds meer vorm. En ik moet mezelf steeds strenger blijven voorhouden dat ik het schrijven nog even uitstel. Want moeilijk blijft dat.