13 april 2014

Tienermeisjes

Gisteren deed ik boodschappen in het centrum van Hengelo. Ik was de inhoud van mijn kar naar mijn fietstassen aan het overhevelen toen ik vlakbij een vrouw hoorde zeggen: ‘Hè, wat zie je er weer slordig uit. Doe nou eens…’

Ik keek op en zag een gezin: vader, moeder, een meisje van ongeveer 14, haar broertje een paar jaar jonger. De vrouw trok wat aan het jasje van haar dochter, schudde vervolgens haar hoofd.

Het meisje stond er verontschuldigend bij. Ze had nog niet die puberale nonchalance, of zo’n sacherijnige blik; ze leek nog meer meisje dan al vrouw.

De vader bemoeide zich er ook mee. ‘Met alle respect, maar je ziet er weer níet uit,’ zei hij hartgrondig. Ik keek nog eens naar haar en vond het nogal meevallen. Er viel me niets op aan haar lange bruine haar en haar alledaagse jeans met shirt en jasje. 

Ik wilde bijna tegen de vader zeggen: ‘Wacht nog maar een paar jaar, het wordt nog veel erger…’

 

Het gezin liep weg, ik pakte mijn boodschappen verder in en kon een lach niet onderdrukken. Het tafereel deed me zo denken aan de tijd toen ik zelf zo’n meisje was en míjn vader uit de grond van zijn hart opmerkte dat ik er niet uitzag. Avond aan avond werd bij ons thuis hetzelfde gesprek gevoerd aan de eettafel. Ik zat achter mijn bord, met mijn asymmetrisch geknipte, meestal rood geverfde en soms ook nog gepermanente korte coup haar. Het was de tijd van gympies zonder veters en verder weet ik het niet meer zo goed. Ik weet nog wel dat ik van een vriendin in geldnood een suède jasje had gekocht. Het was al zo versleten dat er gaten in vielen en op de rug was een groot logo van Aerosmith genaaid; ik had geen idee wat of wie dat waren maar kreeg wel vaak opmerkingen op straat.

‘Hé, gaaf!’

‘Huh?’ reageerde ik dan. ‘O ja.’

 

Mijn vader vond het minder gaaf, en werd elke avond getergd door mijn uiterlijk, en dan vooral door mijn prachtige haar. Ik dacht meestal, wat maak je je nou druk?

Omdat hij niet tot mij doordrong ─ de scheve lok voor mijn ogen werd steeds langer, het haar boven oren en op mijn achterhoofd werd steeds meer opgeknipt ─ eindigde hij zijn commentaar op mijn verschijning dagelijks door mijn moeder aan te spreken. ‘Zeg jíj er nu eens wat van. Het kind ziet er toch niet uit?!’

 

Het is allemaal goed gekomen. Aan mijn tienerjaren kwam een einde, mijn haar groeide aan en ik haalde uiteindelijk zelfs mijn middelbareschooldiploma. De grootste hobbels waren genomen.

Tegenwoordig (toen ook wel, onder de kapselaversie) is mijn vader vooral trots op zijn schrijvende dochter. En hoe ik het belang van familie inschat, dat valt te lezen in Opstand.

De vader en het meisje van gisteren staat ongetwijfeld nog heel wat strijd te wachten, maar uiteindelijk komt het ook bij hen vast goed.