7 augustus 2014

Tussenstand

Met nog zo’n vier weken te gaan voor de inleverdatum van mijn manuscript (eerste versie) voer ik de druk flink op. Ik wil mijn redacteur straks een zo compleet mogelijk document toesturen en dat betekent dat er nog heel wat moet gebeuren. Losse verhaalelementen moeten met elkaar verbonden worden. Personages die nog een zwabberend karakter hebben, moeten eenduidig worden. En tijdens het (her)schrijven van een losse scène probeer ik ondertussen het overzicht te houden. Zit er genoeg vaart in het verhaal? Komen de basiselementen waaruit ik het boek wilde opbouwen voldoende uit de verf?

Het is nog maar de eerste versie die ik zal opsturen, en daar mag nog van alles aan ontbreken, maar eigenlijk is dat mijn eer te na.

Dus de dagen achter mijn laptop worden langer, en de zelfopgelegde dagelijkse productie-eisen worden hoger. Dat voel ik inmiddels aan mijn nek en schouders. Hoe vloeiender ik schrijf, hoe verkrampter ik achter het beeldscherm zit, helaas. 

 

Schrijven is een eenzame bezigheid en dat vind ik er meestal erg prettig aan, maar in deze fase heb ik op afstand een medestander. Joyce Spijker, een collega-auteur bij uitgeverij Boekerij, zit in dezelfde fase met haar nieuwe boek: begin september zal ze een eerste complete versie inleveren. Het is leuk om haar vorderingen op twitter voorbij te zien komen (70.000 woorden!, 80.000 woorden!) en ondertussen mijn eigen woordentussenstand goed in de gaten te houden. Vanmorgen schreef ze de tweet: ‘Schrijfdag! Op naar de 87.000 woorden. #letsgo #desnoepfabriek’

Terwijl ik nog in ochtendjas en met slaapogen door het huis struinde, daarbij de laptop en schrijftafel ontwijkend, liet ik die woorden op mij inwerken, slaakte een zucht en voelde me toen toch gemotiveerd om weer ten strijde te trekken en mijn manuscript weer een stukje meer de baas te worden. Let’s go!