31 augustus 2014

Vide-greniers

Na een half jaar flink doorwerken is de eerste complete versie van mijn nieuwe roman Het huis met de blauwe luiken bijna klaar. Een fijn moment want A. ik ben blij verrast met het resultaat, en B. ik snak ernaar de teugels wat te laten vieren, dus nu zo snel mogelijk inleveren bij mijn redacteur en daarna uitpuffen op de bank/fiets/in pashokjes.

Nu ik zover ben met mijn eerste niet-historische manuscript, kan ik ook goed vergelijken wat de verschillen in het schrijfproces zijn. Allereerst is dat de benodigde tijd. Als ik een historische roman schrijf, ben ik al een half jaar bezig met alleen maar research doen. Het kost maanden van lezen en uitpluizen en notities maken om inzicht te krijgen in de leefomstandigheden en de couleur locale van de door mij uitgekozen plaats en tijd. Pas daarna kan ik een begin maken met het manuscript.

Hoewel ik die zelfstudie heel boeiend vind ─ het is zelfs de reden waarom ik voor het genre historische roman heb gekozen ─ is het voor de afwisseling ook wel eens fijn om het te kunnen overslaan. Gewoon verzinnen en opschrijven, zonder check, dubbelcheck en nacheck.

Schrijven is nooit makkelijk, maar op deze manier toch een stuk eenvoudiger.

 

Het tweede grote verschil in het schrijfproces van Het huis met de blauwe luiken is dat ik veelvuldig teruggrijp op mijn eigen ervaringen. Het huis is gebaseerd op de Franse fermette die mijn ouders en oom en tante zo’n vijftien jaar geleden kochten, op mijn vakanties daar en op mijn liefde voor het dorp Pommiers. Zoals mijn man vaak constateert als we een dagtochtje in de regio maken: ‘Het maakt niet uit waar we heengaan, de weg voert altijd via Pommiers.’

 

Tijdens het schrijven gebruik ik dus vakantiefoto’s en ieders herin-neringen. Ik bevraag mijn ouders over de tijd toen ze het huis kochten, ik bespreek met mijn man hoe-was-het-ook-alweer-daar-en-toen en regelmatig vallen mijn hoofdpersoon en ikzelf even samen. Allereerst doordat zij Pommiers bezoekt en het net zo onweerstaanbaar vindt als ikzelf, maar ook wanneer ze gaat lunchen in de auberge waar wijzelf graag komen. Afgelopen week schreef ik hoe ze een vide-greniers in het dorp Bully bezocht en er oude posters kocht om haar huis mee op te fleuren. Je raadt het al, die posters kocht ik zelf, in Bully, en hangen inmiddels thuis in mijn schrijfkamer.

 

Zo ontdek ik toch een grote overeenkomst tussen mijn romans. Want al gaat mijn nieuwe boek niet over geschiedenis, ook nu zijn fictie en werkelijkheid nauw met elkaar verweven.