juli 2012

Wie schrijft, die blijft

"Als kind neem je veel van je ouders over, in mijn geval is dat de liefde voor het werk van Nevil Shute. "

Het is een cliché, maar waar. En het gaat zeker op voor Nevil Shute. De schrijver was al dertien jaar dood voor ik in 1973 werd geboren en hij was in veel opzichten van een totaal andere generatie. Juist dat maakt zijn werk, behalve licht ouderwets, ik geef het toe, ook onweerstaanbaar aantrekkelijk. In de winkels zijn zijn romans al lang niet meer te koop, maar gelukkig is daar de verzameling tweedehands aangeschafte, vergeelde en stoffig ruikende romans in mijn moeders boekenkast. Als kind neem je veel van je ouders over, in mijn geval hoort daar ook de liefde voor Nevil Shute bij.

 

’s Mensen schaakspel heb ik net uit. Het gaat over een nog jonge Engelsman die zo omstreeks 1950 te horen krijgt dat hij binnen een jaar zal overlijden aan een in de oorlog opgelopen verwonding. Hij wil die tijd besteden door de mannen met wie hij in 1943 in het ziekenhuis lag, op te zoeken. Het is een mooi verhaal met daarin vaste Nevil Shute-elementen zoals de piloot van de Royal Air Force en vliegtuigen in het algemeen. Net als in veel van zijn romans speelt ook dit boek in Londen, op het Engelse platteland en in een tropische Engelse kolonie, hier is dat Birma. Standaard aan de verhalen van Shute zijn de hardwerkende, beleefde maar o zo stoere mannen, de bescheiden maar standvastige jongedames en de maatschappij van toen die op mij heerlijk eenvoudig overkomt. Ook al ervaren de personages dat meestal anders.

 

Het oeuvre van Nevil Shute weerspiegelt een tijdsbeeld. Als lezer waan je je in het Engeland, en vaak Australië, van vlak na de oorlog. Het is een stijl die mij zeer aanspreekt en dat de schrijftaal verouderd is, ach dat neem ik voor lief. Dat Shute’s boeken uit een voorbij tijdperk stammen, blijkt overduidelijk uit een passage als deze:

 

Hij dacht even na. “Het was gek met die kerel,” zei hij dan. “Hij praatte helemaal niet als een neger. Hij praatte precies eender als iedere andere Yankee; misschien wel beter dan de meesten.”

“Hij zei alles natuurlijk heel eenvoudig,” veronderstelde ze. “Hun verstand is niet zo groot, is het wel?”

“Dat weet ik nog zo net niet,” zei hij. “We konden best met elkaar overweg.”

Verbaasd keek ze hem aan. “Maar was het dan wel een echte neger?”

 

Toen ik dit las, sloeg ik geschrokken en ongelovig mijn hand voor mijn mond. Dat kan niet waar zijn! dacht ik. Maar wat ‘erg’ is, is niet dat Shute dit opschreef, maar dat het voor zijn leespubliek toentertijd kennelijk als herkenbaar en begrijpelijk gold.

Gelukkig leren we als mensheid nog wel eens wat…

Ik heb zelf weer veel geleerd over naoorlogs Europa. Was ’s Mensen schaakspel lezen niet alleen mooi, maar ook nog eens nuttig.