Tussen feit en fictie

Het huis met de blauwe luiken is een roman: een verzonnen verhaal met bedachte personages en gefantaseerde verwikkelingen. Maar ik vond het leuk om ook echte locaties en waargebeurde situaties te verwerken. Alleen mijn naaste familie en heel goede vrienden zullen deze ‘ware’ accenten tijdens het lezen herkennen, maar voor andere lezers licht ik hier een tipje van de sluier. Let op: in verband met spoilers is het misschien beter dit artikel pas te lezen als je Het huis met de blauwe luiken uit hebt.

 

Op pagina 10 betreedt Loes haar Franse huis in Pommiers. Dit is een stadshuis en ons familiehuis is een oude fermette: een boerderijtje met bijgebouwen en land eromheen. Maar ik heb toch veel karakteristieke elementen aan Loes’ huis ‘uitgeleend’, zoals de zuurstokroze badkamer, de schuur vol oude gereedschappen, meubels en andere spullen van weleer, de in het woonhuis achtergebleven meubels en ook de verwarmingsinstallatie met een grote kolengestookte kachel in de woonkeuken.

 

Op pagina 64 vindt Loes een slang op haar pad. Ik heb zelf op ons erf al eens een dode slang gezien, en ook een keer een afgestroopte slangenhuid. In de buitenmuur van de schuur ontdekte mijn vader een keer een levende slang; we waren erop geattendeerd door een vogel die steeds voor de muur bleef fladderen maar niet het gat indook. Toen mijn vader de ladder beklom en naar binnen keek, zag hij de slang en dode baby-vogeltjes in hun nest liggen :-(

Ook later lag er nog wel eens een slang in de kelder of kwam uit een gat in de buitenmuur gegleden, altijd een esculaap die niet gevaarlijk is (voor mensen). Maar toch hebben we geleerd: nooit het hoge gras in zonder laarzen aan en vooral veel lawaai maken op je weg.

 

In het gras en in de berm ritselt het in de zomer aan één stuk door. We zien nogal eens een muis, veel salamanders (van die kleintjes die tegen de muur opschieten, maar ook grotere met een zwarte huid met felgele vlekken die liefst sloom in een donker hoekje blijven liggen) en af en toe een hazelworm. Een keer liep ik in de avondschemering in mei met mijn schoonmoeder over ons terrein. Vanachter de ondoordringbare bosjes klonk een angstaanjagend geluid dat het midden hield tussen luidruchtig gesnuif en gekreun. We waren echt bang! Ik zei zo kalm mogelijk (wat ws. vrij paniekerig klonk): ‘Terug! Terug!’ En daar spoedden wij ons over het pad terug naar het huis en de bescherming van mijn man/haar zoon. Die stond voor het huis en riep: ‘Zag je dat!’ Het bleek een groot mannetjeshert te zijn die over het veld wegvluchtte van ons. Nou, het klonk als een beer.

 

Op pagina 127 komt Loes een wandelaar met twee bruin-witte honden tegen. Mijn moeder was proeflezer van het manuscript en moest hardop lachen toen ze bij deze passage was aangekomen. Ze herkende er direct mijn vader en haar eigen honden in.

 

Op pagina 128 luncht Loes in auberge Un Air de Campagne in het dorp Bully, waar ze geholpen wordt door Nadine. Tijdens elke vakantie die ik in ons familiehuis doorbreng, wordt er minimaal één keer gegeten bij dit restaurantje. Het eten is er eenvoudig maar heerlijk en is afkomstig van de boerderijen uit de omgeving, zoals Nadine in het boek ook aan Loes uitlegt. Als dessert kiest Loes voor de chocoladetaart met crème anglaise; deze is echt délicieux en Nadine en haar compagnon Dolorès hebben ‘m weleens speciaal gebakken als ze weten dat ik kom eten. Het originele recept staat hiernaast.

 

Op pagina 166 neemt Loes haar kitten mee naar de clinique vétérinaire vlak buiten Saint-Germain-Laval. Hier is sprake van een gevalletje life imitating art want ik had tijdens het schrijven en researchdoen in Nederland de website van deze dierenkliniek bekeken en gezien dat het er modern en vakkundig aan toe gaat. Daarna verwerkte ik de locatie in de scène op pagina 166. Enkele maanden later was ik met mijn ouders in hun Franse huis en werd de hond ziek. Ik vertelde dat er niet ver weg, net buiten Saint-Germain, een grote dierenkliniek was, en liet de website zien. Mijn vader ging er die ochtend met de hond naartoe en werd goed en prettig geholpen.

 

Op pagina 190 bezoekt Loes met haar ouders een vide-grenier in Bully. Loes koopt er een vijftal oude reclameposters van de Franse Spoorwegen. In het boek hangt ze ze in de trapopgang. In het echt kocht ik er zelf maar twee vanwege ruimtegebrek en die hangen aan de muur naast onze eettafel thuis in Hengelo, waar ik schrijf. Zo is de wereld van Loes altijd dichtbij me.  

 

Op pagina 230 wordt Loes ’s nachts wakker van een relmuis in haar slaapkamer. Ik heb er zelf nooit een gezien, maar ze zaten lang in ons familiehuis in Frankrijk. Mijn moeder heeft er een keer één, net zoals Loes, ’s nachts ondersteboven aan een balk in de slaapkamer zien hangen.