Over cacao en (geen) bonbons

Toen ik in de opstartfase van Opstand zat, wist ik alleen nog maar in grote lijnen hoe het verhaal eruit zou zien. Ik wist dat het historische thema de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden zou zijn, dat twee zussen de hoofdpersonen zouden zijn en dat de locaties waar het verhaal zich zou afspelen een drukkerij met boekwinkel in Utrecht en een bakkerij in Brussel zouden zijn.

 

Al snel ontstonden er meer details. Ik zag voor me dat de ene zus, Sabine, een verstandige jonge vrouw zou zijn, een beetje mollig van postuur en met bruin haar. De andere zus zou Karlijn heten, blond en heel mooi zijn, maar ook dominant, ijdel en pikkelbaar.

Een ander detail dat me leuk leek, was dat Sabine, eenmaal in de bakkerij van haar man in Brussel terechtgekomen, bonbons zou maken. Het water liep me in de mond. Ik zag mezelf al workshops bonbon-maken volgen, want een schrijver moet natuurlijk wel weten waar ze het over heeft.

 

Ik kocht de Chocoladebijbel van Christine McFadden en Christine France en deed mijn voorwerk. En toen… viel mijn plan in duigen want in de tijd waarin Opstand zou spelen, bestond er nog helemaal geen chocolade in de vorm zoals ik die wilde gebruiken. Er waren nog geen bonbons en Brussel was nog lang niet de chocoladehoofdstad van tegenwoordig.

Ik baalde flink, maar las ondertussen verder over de geschiedenis van cacao. In het begin van de 19e eeuw, waarin Opstand speelt, was cacaodrank nog iets wat als gezond bekend stond, maar vies van smaak was. Het was vet vanwege de cacaoboter die bovenop dreef. De enige manier om dit deels tegen te gaan, was door maïsmeel aan de drank toe te voegen, net zoals de Azteken in de Oude Wereld dat vroeger al deden. Dit klinkt niet erg lekker, en ik las dat het dat ook niet was. Chocolade werd vooral gezien als een gezonde en voedzame drank voor kinderen en zieken.

 

Gelukkig was daar in 1828 de Nederlandse chemicus Coenraad van Houten die een hydraulische pers fabriceerde waarmee hij 50% van de cacaoboter uit de cacao kon verwijderen. Vervolgens ontwikkelde hij een methode om het verkregen cacaopoeder met alkalische zouten te bewerken, hierdoor kon het makkelijker (en lekkerder) met water worden aangelengd tot chocoladedrank.

Van Houtens product is hetzelfde cacaopoeder dat wij nu nog kennen. In die tijd werd het echter cacao-essence genoemd. Dit product maakte voor het eerst chocoladedrank mogelijk die niet vet maar gewoon lekker was.

In Opstand krijgt Sabine de geschreven tekst van een verkoopfolder over cacao-essence en de pers van Van Houten onder ogen, die haar vader moet drukken. Het maakt haar nieuwsgierig naar dit nieuwe cacaopoeder. Zou het echt beter en lekkerder zijn dan het vettige cacaodrankje dat zij kent? Wat ze met die informatie doet, in Utrecht en later in Brussel, is te lezen in Opstand.

 

Eetbare chocolade, dus repen en bonbons, werd pas populair nadat de Zwitser Rodolphe Lindt in 1880 een concheermachine had uitgevonden, waarmee gesmolten chocolade een zijdezachte structuur en smaak kreeg en verder verwerkt kon worden.