Inleiding

 

1882. De achttienjarige Véronique Eedelhart woont bij haar familie op landgoed Welestae bij Zutphen. Na zijn overlijden laat haar vader het landgoed in de rode cijfers achter, en de enige manier om een financieel debacle af te wenden is een gearrangeerd huwelijk met Pieter Meijer, zoon van een steenrijke maar volkse ondernemer die met deze verbintenis hoopt te worden geaccepteerd door de Amsterdamse elite.

 

Véronique verhuist naar een prachtig pand aan de grachten van Amsterdam, een bruisende stad waar druk wordt gebouwd voor de Wereldtentoonstelling. Willem Meijer, journalist en de jongere broer van Pieter, confronteert haar met de keerzijde van al die welvaart: de armoede en de sociale wantoestanden in de sloppenwijken.

 

Door haar interesse in Willems werk raakt Véronique beïnvloed door bijzondere vrouwen als Aletta Jacobs. Dit tot ongenoegen van haar schoonvader, die zijn reputatie in de zakenwereld bedreigd ziet. Hij stuurt zijn beide zoons en Véronique naar Nederlands-Indië, waar Pieter een filiaal van Handelshuis Meijer zal leiden. Medepassagier op de boot naar Indië is Aletta’s zus Charlotte Jacobs, met wie Véronique al snel vriendschap sluit. Eenmaal in Batavia brengen de spanningen in haar huwelijk Véronique op een breekpunt. Zal ze een tegendraadse keuze durven maken, of schikt ze zich naar de conventies van haar tijd?

 

De meeste personages in Véronique zijn verzonnen, maar Aletta Jacobs en haar zus Charlotte hebben echt geleefd. Over Aletta’s leven (1854-1929) is vrij veel bekend: zij was de eerste vrouw in Nederland die een HBS bezocht, de eerste vrouw die universitair onderwijs volgde en zelfs promoveerde, de eerste vrouw die arts werd. Ook stond zij jarenlang aan het hoofd van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht.

 

Over haar oudere zus Charlotte (1847-1916) weet men veel minder. Toch was zij minstens zo’n opvallend en inspirerend mens als Aletta. Zij was achter in de twintig, in die tijd al een ‘oude vrijster’, toen ze besloot alsnog te gaan studeren. Na haar zus werd Charlotte de tweede vrouw in Nederland die een universitaire studie voltooide (in 1881) en de eerste vrouwelijke apotheker. In maart 1884 vertrok ze naar Batavia, waar ze in 1890 ‘De Nederlandsche Apotheek’ oprichtte die ze tot 1913 zou leiden. Uit principe nam ze alleen vrouwelijke assistenten in dienst, die Aletta in Nederland voor haar wierf via advertenties in de krant.

 

Charlotte wilde het onderwijs voor Javaanse meisjes verbeteren en richtte daartoe in 1912 de Vereeniging Steun Onderwijs Vrouwelijke Inlandsche Artsen (Sovia) op. In 1913 keerde ze voorgoed terug naar Nederland, waar ze zich in haar laatste jaren sterk maakte voor de vrouwenbeweging.

 

De gebeurtenissen zoals in dit boek beschreven, zijn gebaseerd op feiten uit de levensloop van de zusters Jacobs, aangevuld met Michelle Vissers rijke verbeelding.

 

 

Leesvragen

1. In hoofdstuk 1 heeft Véronique wat tijd voor zichzelf nodig om te beslissen of ze met Pieter zal trouwen. Denkt u dat ze werkelijk een keuze heeft? Wat zou er gebeuren als ze nee zou zeggen?

 

2. Waarom zou Véroniques oom de huwelijksonderhandelingen voeren, en niet haar moeder?

 

3. Véroniques leven op Welestae verschilt sterk van dat in de stad en Véronique voelt zich in Amsterdam vaak opgesloten en onvrij. Welke factoren spelen hierbij een rol?

 

4. In hoofdstuk 3, voor haar huwelijk, denkt Véronique over haar identiteit dat ze nu nog de dochter van barones Eedelhart is en straks de echtgenote van Pieter. In hoofdstuk 23 zegt ze tegen Guillaume dat ze niet langer Véronique, echtgenote van Pieter Meijer is, en ze vraagt zich af wie ze zelf is, zonder familierelaties. Hoe zou u haar omschrijven? In hoeverre bepalen de relaties in je leven wie je bent, toen en nu?

 

5. In hoofdstuk 8 beseft Véronique dat ze koopwaar is, ‘beschikbaar voor eenieder die er een aanvaardbare prijs voor wil betalen’. Later gaat ze, onder invloed van het boek van Mina Kruseman, nog een stapje verder: een gearrangeerd huwelijk is prostitutie. Bent u het daarmee eens?

 

6. Pieter is degene die persoonlijk baat zou moeten hebben bij het huwelijk, maar toch doet hij weinig moeite om er een succes van te maken. Begrijpt u Pieters afwerende houding ten opzichte van Véronique?

 

7. Ondanks haar beangstigende ervaring in de Amsterdamse sloppenwijk blijft Véronique zodra ze daar kans toe ziet stiekem op pad gaan met Willem, Anna en Lisette. Waarom? Zou je niet juist verwachten dat ze besluit zich te beperken tot haar veilige, comfortabele leventje?

 

8. Hoewel ze van tevoren tegen de emigratie naar Indië opziet, lijkt Véronique al op de boot haar leven in Nederland gevoelsmatig af te sluiten. Vindt u dat geloofwaardig, en wat zegt dat over haar karakter?

 

9. Welke rol spelen de zusters Jacobs in Véroniques ontwikkeling?

 

10. Hoe verwachtte u dat Véroniques moeder op de huwelijksperikelen van haar dochter zou reageren?

 

11. Oma Van Batenburg lijkt meer begrip voor de beslissingen van haar kleindochters te hebben dan hun ouders. Waarom zou dat zijn?

 

12. Véronique slaagt erin een nieuw, onafhankelijk leven op te bouwen. Welke gelukkige omstandigheden helpen haar daarbij? Hoe had het ook kunnen lopen, denkt u?

 

13. Véronique vindt het prettig om een goede verstandhouding met haar huispersoneel te hebben. In hoeverre vindt u dat Véronique zich beter voelt en zich zo opstelt naar haar personeel? Kunt u dat begrijpen? Is haar verhouding ten opzichte van de lagere standen tekenend voor die tijd en denkt u dat er in Nederland anno nu nog steeds iets als een standsverschil leeft?

 

14. In Bandoeng leest Véronique liefde in Willems ogen. Wanneer denkt u dat die liefde is ontstaan? En waarom? Op welk moment is zij hem, wellicht onbewust, als meer gaan zien dan alleen haar zwager?